Gideon Brugman interview Hipper (1976)

Gepubliceerd op 9 februari 2019 om 23:27

Gideon Brugman interview Hipper 1976

Gideon begon al op jeugdige leeftijd met het tekenen van ridderstripverhalen en toen hij de eerste prijs (een radio) won in een wedstrijd, uitgeschreven door het blad Robbedoes, was er geen weg terug: eerst volgde hij de lessen aan de academie, omdat je naar zijn mening toch wel een gedegen opleiding moet hebben. “Bij sommige tekenaars die deze opleiding niet hebben gehad zie je
soms dat het perspectief of de anatomie niet klopt.”

Na de academie solliciteerde hij vergeefs bij allerlei Amsterdamse reclamebureaus en via een relatie kwam hij in contact met een Haagse uitgeverij. Voor deze uitgever begon hij samen met Theo Kemp (met wie hij al eens het plan had gehad een striptentoon-stelling in te richten; dit ging niet door omdat men niets vernam uit Amerika) aan de strip Commando Moustache. Ondertussen had hij ook al een strip gemaakt voor Toonder, maar daar werd zoveel kritiek op geleverd dat Gideon er maar mee stopte; hij had voor-lopig nog genoeg werk aan Commando Moustache. Voorlopig , want na twee albums (het derde lag al klaar) ging de Haagse uitgever failliet.

ZONK EN STRONK
Ondertussen was er een album uitgekomen met verhalen voor kinderen. Eén van de verhalen die Gideon tekende heette Zonk en Stronk. Gideon Brugman en Theo Kemp hadden al een tijdje van te voren aan zien komen dat de Hagenaar failliet zou gaan en waren inmiddels in contact gekomen met Peter Middeldorp.

Laatstgenoemde wilde Gideon wel een kans geven, maar alleen als hij zich door Lo Hartog van Banda zou laten coachen. Dat gebeurde en er ontstond een zo’n goede samenwerking tussen Gideon en Lo, dat ze samen naar Dupuis stapten met Zonk en Stronk.

De Brusselse uitgever zag echter meer in het realistische werk van hem en omdat men er niet helemaal uitkwam, werd er een kenner bijgehaald. “Dat was André Franquin, die zorgde er voor dat Dupuis Zonk en Stronk kocht, dat vond hij veel origineler. Ik kreeg echter wel de opdracht om het over te tekenen, want ze vonden de lijnvoering niet zo goed. En zij wilden maar één René Hausman hebben. Nou ja, ik heb het verhaal toen overgetekend, maar ik vond de tweede versie toch slechter dan de eerste.”

AMBROSIUS
Zoals filmkenners altijd wel vermoed zullen hebben, kwam het idee voor Ambrosius na Polanski’s film “Met jouw tanden in mijn nek”, hoewel de strip uiteindelijk heel anders is geworden dan de strip. Gideon was al bezig met het tekenwerk terwijl hij nog voor Dupuis tekende. Met een paar proefopzetten ging hij naar Pep, waar Peter Middeldorp de strip accepteerde. “Maar na een tijdje ging Peter Middeldorp naar Libelle, zodat Hetty Hagenbeuk aan het hoofd van de Pepredactie kwam. Met haar kon ik het niet zo goed vinden, het was een soort communicatiestoornis, ze had nogal wat bezwaren tegen mijn werk. Dit kon niet, dat kon niet, in dat verhaal met de Heksen komen bijvoorbeeld heksen voor met grote bezems. Nou, dat mocht ik niet tekenen. Een ander voor-beeld is dat, toen ik Ambrosius in een graf liet gooien, en Hong Tong het graf weer liet openen, er een monster tevoorschijn
kwam. Dat mocht ook niet, dat was te griezelig. Op een gegeven moment was de maat vol, ze had zoveel kritiek op mijn werk.”

Een geluk bij een ongeluk was dat juist in die tijd Lo Hartog van Banda bij hem kwam om hem te vragen een strip voor Tina te tekenen. Gideon greep dit aanbod maar al te graag aan. “Niet alleen kon ik er veel meer verdienen, daar ging het me in dit geval echt niet om, ik hou gewoon van striptekenen, omdat ik er bezeten van ben, maar ik kon ook gelijk veel lekkerder werken.”
Hetty Hagenbeuk wilde hem vervolgens niet meer zien, maar wel Ambrosius blijven plaatsen. Er werd nog een verhaal getekend, daarna stopte Gideon er mee om zich helemaal aan Patty te wijden. Dat ging zo door tot Jan de Rooy belde voor een verhaal van Ambrosius. Nadat ook Lo Hartog van Banda te kennen had gegeven dat hij er wel weer zin in had, maakten ze het verhaal “De Ruïnes van Doem”.

GEBELGD
Enthousiast als ze toen waren gingen ze meteen door met een ander Ambrosiusverhaal, “De Raadsels rond Black Hill”. Een vijftal pagina’s was al kant-en-klaar, toen Frits van der Heide – die de inmiddels bij Oberon verdwenen Jan de Rooy op had gevolgd – gebelgd belde om te vertellen dat er nooit om een volgend Ambrosiusverhaal besteld was. “Lo en ik vonden het wel raar dat zij
niet meteen na afloop van de Ruïnes van Doem hadden gezegd dat ze er mee wilden stoppen. Toen bleek dat Martin Lodewijk in de redactie zou gaan zitten en die had gezegd dat als hij in de redactie had gezeten toen de Ruïnes van Doem begon, hij het zowel qua tekst als qua tekeningen geweigerd zou hebben. Nou, dan weet ik dat tenminste.”

LOSSE HAND
In de naar wierook ruikende kamer stelden we ook nog wat vragen uit de losse hand, bijvoorbeeld hoe de samenwerking met Lo Hartog van Banda verloopt. “Het is niet zo dat Lo de scenario’s naar mij opstuurt en dat ik ze dan teken. Nee, ik wil ook wel wat in te brengen hebben. Soms ontstaan er kleine wrijvingen, dan drukken wij tegen elkaar aan en dan schieten we ogenblikkelijk
dezelfde richting op. Zoals het nu gaat, gaat het uitstekend.” En hoelang werkt u aan een pagina? “Dat is verschillend, bij de Heksen heb ik er erg lang over gedaan. Het gaat niet om de kwantiteit maar om de kwaliteit.”

Bron: Hipper 29-30 nov-dec 1976
Redactie: Bart Sier, Rogier v.d. Ploeg, Phil van Tongeren & Maarten v. d. Ploeg


Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.